Mobilisatie in Baarn 1940.

Onderstaand is verhaal van mijn vader, in de periode februari 1940- 15 mei 1940.
Mogelijk is het beeld niet helemaal correct maar dat mag je ook niet verwachten na 66 jaar.

Als 20 jarige jongeman werd mijn vader in oktober 1939 gestationeerd in kamp Laren en wel bij het 20e regiment infanterie. Omdat hij in bezit was van een rijbewijs, werd hem gevraagd in januari zijn militaire rijbewijs te halen te Apeldoorn in de Koning Willem III kazerne.


Teruggekeerd in Laren werd hij uiteindelijk chauffeur in het zogenoemde veldleger en wel bij het pantserafweergeschut bestaande uit deels Amsterdammers en deels Veluwenaren In totaal betrof het hier 4 stuks kanonnen en evenzoveel trekkers. Elke trekker werd bemand door 6 personen, in totaal dus 24 man. Er werd flink geoefend in Laren en al spoedig wist men zich met flinke vaart over de oefenterreinen te begeven, waardoor men al gauw omgedoopt werd tot “de duvels van Laren”


Na verloop van tijd werden alle verloven ingetrokken en werd het 20e regiment ondergebracht in Baarn en wel in een villa aan de Eemnesserweg tegenover de Teding van Berkhoutstraat. Dit vond plaats in februari 1940.

Omdat mijn vader daar als eerste arriveerde had hij de keus wat bivak betrof.. De villa was volledig leeg en hij betrok een kamer op de eerste verdieping. De onderofficieren op de begane grond, ongeveer 6 personen op de eerste verdieping en de rest op zolder. Zij stonden onder commando van kapitein Staal (hoofdcommissaris van politie te Rotterdam). Deze voerde ook het bevel over het 8e regiment voornamelijk Amsterdammers. De villa werd bewoond door een mengelmoes van Amsterdammers en Veluwenaren. Gegeten werd er in de nabij gelegen school waar tevens het resterende deel van het 8e regiment zich bevond. Het pantserafweergeschut bevond zich in de garage gelegen naast de villa. Ook in de directe omgeving werden militairen ingekwartierd in gevorderde villa’s

Tussen de boeren (waaronder mijn vader) en de Amsterdammers bestond in eerste instantie wat cultuurproblemen boeren en brutalen, maar naarmate de tijd vorderde raakte men aan elkaar gewend. Van veel militair vertoon was geen sprake er werd geen wacht gelopen en er vond 1-2 maal daags appel plaats. Na het eerste appel brachten de chauffeurs alle manschappen naar de Eem (een deel van de Waterlinie), om stellingen te bouwen. De chauffeurs keerden huiswaarts en moesten het afweergeschut koppelen aan hun trekkers. Vervolgens werd de tijd gedood door een enkele oefening in Laren, slapen, slenteren en brieven schrijven naar huis. Zonder afzendadres want dat moest geheim blijven. Dat een beetje gezond verstand genoeg was om deze geheimhouding te laten zijn tot een wassen neus is te lezen uit het navolgende verhaal.

Mijn vader was hevig verliefd op wat later mijn moeder is geworden. Op een dag besloot mijn moeder om mijn vader te gaan bezoeken wat natuurlijk een hele expeditie moet zijn geweest. Zonder exact adres is ze met de trein via Amersfoort richting Baarn getogen waar ze na enig navragen aan de deur stond van mijn vader. Naar ik begrepen heb is het een zeer fijne dag geweest. Zoals gezegd er was van oorlogsactiviteit en spanning weinig te bespeuren en dus was er ook ruimte voor gewone zaken.


Mijn vader is meerdere malen met een kameraad in Baarn naar de Flora bioscoop geweest. Hen werd gevraagd om bij thuiskomst via de zijdeur naar binnen te komen zodat geen van de anderen wakker zouden worden je mag dus stellen dat van echte waakzaamheid geen sprake was. Ook werd er wel eens een geintje uitgehaald, zo sliep op de zolder een soldaat die door zijn kameraden Lampie (?) werd genoemd. Lampie weigerde zich te wassen dit tot ergernis van de medebewoners. Op een goede dag (een kwade voor Lampie) bestormden de Amsterdammers de zolder en namen Lampie in de houdgreep en sopten van onder tot boven schoon. Lampie afkomstig uit Amsterdam en werkzaam in de scheepsbouw werd door zijn Amsterdamse makkers ook wel Hete Nageltjes genoemd !

De manschappen wandelden eens richting de uitkijktoren om boven aangekomen over de velden uit te kijken.

Op een dag werden ze door een luitenant aangehouden die aan de sergeant vroeg waarom er niet in militaire pas gelopen werd. De sergeant stamelde dat ze van kapitein Staal moesten gaan wandelen, de luitenant zei dat hij dit zou melden. Teruggekomen bij de kapitein deden de manschappen hun verhaal waarop de kapitein zei als ik jullie het commando geef om te wandelen dan wordt er gewandeld en hier is de kous mee af.

Naast de bioscoop die meerdere malen bezocht werd, was er op de Brink tijdens een feest muziek te horen van een fanfare of kapel. Er was veel publiek, de fanfare zette het Wilhelmus in dat door de verzamelde menigte werd meegezongen en waarbij de militairen strak in de houding stonden.

De eerste oorlogs dagen

Op 10 mei om 4 uur in de ochtend werden de bewoners van de villa gewekt met de mededeling dat Duitsland onze neutraliteit geschonden had en inmiddels oprukte richting Amersfoort. De meeste bewoners waren reservisten en bleven achter. Alleen mijn vader moest zich samen met het de andere van het pantserafweergeschut gereed maken voor vertrek. Dus de trekker en het afweergeschut koppelen en in colonne, omstreeks 7 uur in de ochtend vertrokken ze naar de Eem. Veel inwoners waren uitgelopen en hadden zich geposteerd langs de route om de militairen uit te zwaaien en een hart onder de riem te steken.
Na het geschut en de bijbehorende bemanning achter te hebben gelaten vertok mijn vader naar de Prins Berhardkazerne in de buurt van Amersfoort.

De volgende opdracht was om een aantal oudgedienden af te zetten in het veld om vijandelijke vliegtuigen te signaleren. Tot ontzetting van een sergeant bleken deze militairen ongewapend en dus een retour richting kazerne om geweren e.d. te halen. De bevolking van Amersfoort en de omliggende gebieden werden ondertussen geëvacueerd, ook het vee werd meegenomen richting het westen. Slechts het pluimvee moest zichzelf zien te redden. Samen met Dhr Bakker, een radioman uit Hilversum, werd mijn vader gesommeerd een gedeelte van het luchtruim in de gaten te houden ten westen van Amersfoort. Welke handelingen ze moesten verrichten indien er parachutisten zouden landden blijft onduidelijk want goed bewapend waren ze allerminst. Op maandag 14 mei was de Grebbeninie onhoudbaar, ondanks dat er als leeuwen gevochten was door de soldaten en mijn vader en Dhr Bakker moesten het afweergeschut ophalen en deze verplaatsen eerst richting Amersfoort en vandaar richting Vreeland. Deze verplaatsing van rond de 80 voertuigen waaronder de 4 pantserafweergeschut, mijn vader Bakker en nog 2 anderen, vond in de nacht van 14 op 15 mei plaats in dichte mist en uiteraard zonder verlichting. Bij Vreeland aangekomen moest men verder richting Gouda. Want daar zou zich afweergeschut van de vijand bevinden.

Het wonder van Vreeland
(voor mijn vader en dus ook voor mij)

Omdat er 4 dagen onafgebroken is gevochten, weinig slaap weinig eten, kan men zich voorstellen dat mensen aan de grens komen van hun kunnen. Nadat de opdracht gegeven was om richting Gouda te vertrekken werden de emoties een bevelhebbende luitenant teveel. Hij ging volledig door het lint en slechts met moeite konden 4 man hem in bedwang houden. Zo mijn vader vertelde zijn ze boven op hem gaan zitten. Een aanwezige legerarts kalmeerde de man door middel van een injectie. Met mijn vader als chauffeuren onder begeleiding van 3 andere soldaten werd de luitenant met een vrachtwagen naar een veldhospitaal gebracht. De luitenant werd van daaruit overgebracht met een taxi naar een ziekenhuis in Amsterdam. Indien dit niet was gebeurd was mijn vader verder getrokken richting Gouda met het afweergeschut. Degene die wel richting Gouda zijn getrokken zijn aldaar in een hinderlaag gelopen en bijna volledig weggevaagd. Slechts 1 sergeant heeft deze gebeurtenis overleefd en dus is het niet ondenkbaar dat ook mijn vader daarbij had kunnen zijn!!!
Niets wetend van dit alles werd mijn vader op de ochtend dinsdag van 15 mei met de anderen richting Muiden gestuurd. In Muiden aangekomen werd het kanon gestationeerd op de vesting. Vervolgens werd stro in de vesting neergelegd waarna mijn vader als een blok in slaap is gevallen.


15 mei einde van de oorlog, voor veel soldaten niet makkelijk te accepteren en om desastreuze acties te voorkomen moest alles wat schieten kon worden ingeleverd. Ook werd men gesommeerd om het rijdende materiaal in te leveren en wel in het Vondelpark te Amsterdam. Samen met 2 kornuiten heeft mijn vader in het Vondelpark zodanig aan het stuur van de stilstaande vrachtwagen getrokken zodat deze niet meer functioneerde. Nog een aantal dagen heeft het verblijf in Muiden geduurd daarna kreeg hij groot verlof en werden de manschappen naar huis gestuurd. Hiermee kwam een einde aan de dienstplicht van mijn vader.

Met dank aan Mia Snellenburg.